De eerste computers voor mensen waren rekenmachines: je voerde er gegevens in, en na wat berekeningen kwamen er weer andere gegevens uit. De tweede generatie waren archiefkasten, waar je steeds grotere hoeveelheden gegevens in op kon slaan. En bij de derde generatie werden al die archiefkasten met elkaar verbonden. Eerst met LAN’s, dan met WAN’s en uiteindelijk wereldwijd. En inmiddels zijn we bij de vierde generatie computers aanbeland.
Er is één eigenschap die alle eerste drie generaties computers met elkaar gemeen hebben: ze zijn stuk voor stuk afhankelijk van actieve user input. Zonder de invoer van ponskaarten, toetsaanslagen of muisklikken weten ze bij god niet wat ze voor je kunnen betekenen. Want het zijn maar domme, gevoelloze dozen die alleen maar kunnen doen wat hun opgedragen wordt. Niets meer, niets minder. (Mits ze natuurlijk niet ziek zijn van een virusje, of vastlopen op een programmeerfout.)
De vierde generatie computers is daarentegen juist intelligent, vriendelijk en gevoelig. Ze weten waar je bent, wat je doet en hoe je je voelt. En spelen daar vakkundig op in. Zo weten ze bijvoorbeeld of je loopt, rent of in de auto zit. En helpen je als je de weg kwijt bent. En ze weten of ze op je bureaublad liggen, in je broekzak zitten of tegen je wang geplakt, en passen hun gedrag daarop aan. Ze weten wat je ziet, wat je gezien hebt en wat je nog wilt gaan zien, en delen dat – als jij daar geen bezwaar tegen hebt – met je vrienden en kennissen. En ze weten waar je naar luistert en van welke muziek je houdt, en zoeken er zelfstandig nog wat extra deuntjes bij.
Nu vraag je je natuurlijk af hoe die computertjes dat allemaal voor elkaar krijgen. Wel, de truc zit ‘m in de gigantische hoeveelheid sensortjes waarmee ze zijn uitgerust. Zo hebben ze – net als ons – ogen en oren, een evenwichtsorgaan en een huid. En anders dan ons ook nog een nabijheidsensor en een gps-lokalisatiesysteem. En zijn ze ook nog eens via 3G, Bluetooth en WiFi met elkaar en het internet gekoppeld, zodat ze supersnel en simpel extra dingen kunnen leren over wat ze horen, zien en voelen. En hun gedrag steeds beter op hun ‘baasje’ kunnen afstemmen.
De vierde generatie software ontgroeit inmiddels de kinderschoenen, en de apparaatjes vliegen rap over de toonbank. Of worden zelfs weggegeven, bij een gsm-abonnementverlenging. Nog een paar jaar, en dan heeft iedereen zo’n digitale vriend.
Voel je ‘m?
Ik op Adformatie.nl:
De eerste computers voor mensen waren rekenmachines: je voerde er gegevens in, en na wat berekeningen kwamen er weer andere gegevens uit. De tweede generatie waren archiefkasten, waar je steeds grotere hoeveelheden gegevens in op kon slaan. En bij de derde generatie werden al die archiefkasten met elkaar verbonden. Eerst met LAN’s, dan met WAN’s en uiteindelijk wereldwijd. En inmiddels zijn we bij de vierde generatie computers aanbeland.
Er is één eigenschap die alle eerste drie generaties computers met elkaar gemeen hebben: ze zijn stuk voor stuk afhankelijk van actieve user input. Zonder de invoer van ponskaarten, toetsaanslagen of muisklikken weten ze bij god niet wat ze voor je kunnen betekenen. Want het zijn maar domme, gevoelloze dozen die alleen maar kunnen doen wat hun opgedragen wordt. Niets meer, niets minder. (Mits ze natuurlijk niet ziek zijn van een virusje, of vastlopen op een programmeerfout.)
De vierde generatie computers is daarentegen juist intelligent, vriendelijk en gevoelig. Ze weten waar je bent, wat je doet en hoe je je voelt. En spelen daar vakkundig op in. Zo weten ze bijvoorbeeld of je loopt, rent of in de auto zit. En helpen je als je de weg kwijt bent. En ze weten of ze op je bureaublad liggen, in je broekzak zitten of tegen je wang geplakt, en passen hun gedrag daarop aan. Ze weten wat je ziet, wat je gezien hebt en wat je nog wilt gaan zien, en delen dat – als jij daar geen bezwaar tegen hebt – met je vrienden en kennissen. En ze weten waar je naar luistert en van welke muziek je houdt, en zoeken er zelfstandig nog wat extra deuntjes bij.
Nu vraag je je natuurlijk af hoe die computertjes dat allemaal voor elkaar krijgen. Wel, de truc zit ‘m in de gigantische hoeveelheid sensortjes waarmee ze zijn uitgerust. Zo hebben ze – net als ons – ogen en oren, een evenwichtsorgaan en een huid. En anders dan ons ook nog een nabijheidsensor en een gps-lokalisatiesysteem. En zijn ze ook nog eens via 3G, Bluetooth en WiFi met elkaar en het internet gekoppeld, zodat ze supersnel en simpel extra dingen kunnen leren over wat ze horen, zien en voelen. En hun gedrag steeds beter op hun ‘baasje’ kunnen afstemmen.
De vierde generatie software ontgroeit inmiddels de kinderschoenen, en de apparaatjes vliegen rap over de toonbank. Of worden zelfs weggegeven, bij een gsm-abonnementverlenging. Nog een paar jaar, en dan heeft iedereen zo’n digitale vriend.
Labels: iPhone
Categorie: Commentaar, iPhone | Geen reacties »