Tip: Gegarandeerd verbinding
Op het Vodafone 3G netwerk krijg je vaak pas verbinding nadat je je app een keertje uit en terug aan hebt gezet. En dat is natuurlijk bijzonder vervelend.
Met een Auto Retry los je dit probleem doeltreffend op:
- - (void)verversGegevens
- {
- self.navigationItem.rightBarButtonItem = _reloadButtonItemWithActivity;
- [self.view addSubview:_propellortje];
- [_propellortje startAnimating];
- [self.tableView setAlpha:.5];
-
- _retryCount = 0;
- [_connection cancel];
- self.request = [NSURLRequest requestWithURL:[NSURL URLWithString:_remotePath] cachePolicy:0 timeoutInterval:5];
- }
-
- #pragma mark --- NSURLConnection delegate methods ---
-
- {
- if (_retryCount++ < 2)
- {
- [_connection cancel];
- self.request = [NSURLRequest requestWithURL:[NSURL URLWithString:_remotePath] cachePolicy:0 timeoutInterval:15];
- NSLog(@"Connection error -> RETRY");
- }
- else
- {
- self.navigationItem.rightBarButtonItem = _reloadButtonItem;
- [_propellortje stopAnimating];
- [_propellortje removeFromSuperview];
- NSLog(@"Connection error %@", error);
-
- //TODO: foutmelding naar gebruiker
- }
- }
Layar: wat moet je ermee?
Een klein Nederlands bedrijfje haalt wereldwijd de headlines, met een leuk en opvallend stukje mobiele software: een tot platform uitgewerkte kopie van het anderhalf jaar geleden ‘mysterieus verdwenen’ Enkin for Android.
Wat is ‘t?
Layer is een applicatie voor mobieltjes, die bovenop het live-camerabeeld een laag extra informatie toont. Je kijkt met die app dus als het ware ‘door je telefoon heen’ naar de werkelijkheid, en ziet plots veel meer bewijzerings- en reclameborden dan er daadwerkelijk staan. De werkelijkheid wordt er dus mee uitgebreid; het is een ‘augmented reality’ app.
Wat kun je ermee?
Met Layar op je gsm kun je naar bijvoorbeeld toeristische attracties, winkelfilialen of pinautomaten zoeken, simpelweg door met je telefoontje voor je neus in de rondte te kijken.
Nee maar Mike, dat is fantastisch!
Jazeker, ‘t is een absoluut TellSell-waardig oeh’s en aah’s oproepend programmaatje. Maar zodra het nieuwtje er vanaf is, realiseer je jezelf dat je vele malen handiger en effectiever met Google Maps, of andere kaartgebaseerde apps naar objecten op plekken zoekt.
Dus?
… zakt die doorkijktelefoontjes-hype midden volgend jaar wel weer in, en verlaten Layar en kornuiten met stille trom het mediaslagveld.
Maar toch…
Tot die tijd kun je er echt bizar leuke dingen mee doen. Het enige waar je voor op moet passen is dat je er niet te laat mee aan de slag gaat. Want wie er nog een paar maanden mee wacht roept er alleen nog maar wat duh?!’s en opgehaalde schouders mee op.
Het met Layer naar augmented reality kijken is vergelijkbaar met het door van die groen-rode papieren brilletjes naar 3D kijken: te veel een gedoe om gewoon te worden. Augmented reality wordt pas écht leuk en mainstream als digitale displays zo gewoon zijn als posters en behang, en in elk gewenst formaat op alle mogelijke ondergronden zijn te plakken. En je er zonder je telefoon als brilletje naar kunt kijken.
Ads were king
Het is vandaag precies een jaar geleden dat mijn eerste Adformatiecolumn verscheen. ‘Content was king’ was de titel, en ‘t gegeven dat software steeds belangrijker dan content werd het onderwerp. Vandaag het vervolg daarop, met de titel ‘Ads were king’.
Het kan je onmogelijk ontgaan zijn dat er uit de iPhone AppStore inmiddels al meer dan een miljard programmaatjes gedownload zijn. En als je naast Adformatie ook AdAge leest, weet je dat er op Facebook – ‘s werelds grootste social networking website – inmiddels al net zoveel aan widgets als aan advertising wordt omgezet (zo’n 500 miljoen dollar elk). En aangezien die omzet uit apps en widgets met ‘double digits’ stijgt, terwijl de advertentieverkoop sterk stagneert, duurt het niet lang meer of er wordt méér aan apps dan aan ads verdiend.
Die apps en widgets kunnen, net zoals websites, informatief, functioneel en/of vermakelijk zijn. Het (sint en kerst) verlanglijstje van Bol.com op Hyves was bijvoorbeeld vooral informatief, ING’s online huishoudboekje ‘Tim’ is bijzonder functioneel en Red Bull’s Air Race iPhone app zit weer helemaal in de vermaakhoek. Maar één ding hebben ze allemaal gemeen: de consument kan er iets mee doen, in plaats van er alleen maar naar kijken.
Intermediairs zoals DoubleClick en EyeBlaster zijn al druk bezig met die verschuiving van praten naar doen; hun volume banners met alleen maar een bewegend plaatje en een clicktag erin neemt langzaam maar zeker af. Terwijl die met interactie juist in aantal toenemen.
En ook de media zélf werken zichzelf in ‘t zweet om steeds functionelere communicatie te kunnen aanbieden. Door allerhande API’s te ontwikkelen, die programmacode in campagnes de mogelijkheid bieden om contact te leggen met de database en functionaliteit van de website waarop ze uitgeserveerd worden. En bij de bureaus ten slotte, zie je steeds vaker ook (Hyves) widgets en (iPhone) apps in hun voorstellen terug.
En daar houdt het nog lang niet op. Want ook op tv kunnen adverteerders inmiddels echt met hun doelgroep interacteren. De nieuwste Sony Bravia tv’s zijn daarvoor bijvoorbeeld met AppliCast uitgerust, dat widgets bovenop tv-uitzendingen kan projecteren. En ons eigen Philips breidt deze zomer zijn toestellen uit met Net.TV, terwijl Samsung een prachtige deal heeft met widget-pionier Yahoo! en Panasonic de integratie van functionaliteit en broadcasting ‘Viera Cast’ noemt.
Ja, ja. Voor plaatjes-en-praatjescreatieven breken donkere tijden aan. De toekomst is interactief. Écht interactief.
Voor wie werk je eigenlijk?
Een inzichtelijk artikel op Marcus Zarra’s blog:
“I learned long ago to never fight pirates. They enjoy it more than you do. From their point of view it is a challenge just to see if they can outsmart you. They enjoy it so much that they will do it for free! You, however, like to get paid for your work. No one is going to pay you for adding code to your software that is targeted at pirates. However you have a good chance of losing money if your customers get caught in your anti-piracy code and can’t use their software that they purchased.”
Op z’n hondjes
Er is iets raars aan de hand. Twitter denkt dat het 250 miljoen waard is. Maar dat is nog niet het gekste. Er is namelijk minimaal één grote investeerder die dat niet eens zo’n krankjorum idee vindt.
Twitter is dat communicatiekanaal waarin mensen hun drollen kwijt kunnen, handzaam opgedeeld in keuteltjes van maximaal 140 letters elk. Waarmee ze de hele wereld continu vertellen waar ze zijn, wat ze doen, waar ze heen willen, wat ze vergeten zijn, wat ze gekocht hebben, wat ze uit hun handen hebben laten flikkeren, wat ze eens ergens gelezen hebben, wat ze gegeten hebben, met wie ze dat gedaan hebben, en op welke manier dat weer naar buiten kwam. En dat schijnt dan dus 250 miljoen dollar waard te zijn…
Nu is de grap natuurlijk dat die Twitteraars zélf absoluut niet vinden dat hun drollen stinken. Het zijn wat dat betreft net hondjes in een Vondelpark. Ze schijten er lustig op los, en ruiken vol belangstelling aan iedere drol die er door anderen is neergelegd. En pissen er als het moet nog even overheen, omdat de geur een beetje te veel van de norm afwijkt.
Maar het bedrijfsleven heeft er echt schijt aan. Of, om in de metafoor te blijven, juist niet. Want Hyped berichtte onlangs dat maar liefst 93 van de 100 grootste bedrijven ter wereld (nog) niet op Twitter excrementeerden, en van de tien grootste Nederlandse merken is er zelfs niet één officieel vertegenwoordigd. En erop adverteren doet ook geen enkel merk, want dat kan überhaupt nog niet.
Toch zal Twitter ooit eens een echt bedrijfsmodel moeten bedenken dat geld oplevert. Want er lopen echt niet godsgruwelijk veel van die krankjorum investeerders op onze aardkloot rond. En elke dollar die je verbrandt is voor altijd weg.
Maar ach, voor nu geldt in ieder geval weer even dat ‘Twitter gets a new cash injection and time to figure out its business model at an even more leisurely pace’, aldus TechCrunch.
De broekzak van je klant
Welke merkbeleving stop jij in de broekzak van je klanten? Er zijn en komen een paar prachtige smartphones op de markt, waarop je met je merk een mooi plekje op het startscherm kan veroveren. En dat is natuurlijk de natte droom van menig marketeer.
Maar eenvoudig is anders: elke combinatie van smartphone en OS heeft namelijk weer zijn eigen, specifieke voor- en nadelen.
Ik zet ze even voor je op een rijtje:
Symbian
Voordelen: vrijwel alle toestellen van Nokia en Sony-Ericsson draaien het Symbian OS. En het marktaandeel hiervan is dan ook bizar groot. Nadelen: hoeveel applicaties hebben al die Nokia-gebruikers die je kent nu eigenlijk op hun toestel geïnstalleerd? Juist ja. Pas met Symbian LoCo op de N97 zal dit op gang komen, en dat toestel is helaas nog niet verkrijgbaar.
iPhone
Voordelen: bijzonder knappe hard- en software, professionele ontwikkelomgeving en een fantastische AppStore. Nadelen: objective-C programmeurs zijn lastig te vinden, en het onder de knie krijgen van die programmeertaal is niet voor iedereen weggelegd. Daarnaast kent de AppStore een tamelijk strenge ballotage, waardoor het kan voorkomen dat jouw reeds 100 procent uitontwikkelde applicatie helemaal nooit toegelaten wordt.
Android
Voordelen: applicaties worden in J2ME geprogrammeerd, en Java-programmeurs zijn tamelijk makkelijk te vinden. Nadelen: er verschijnen dit jaar een hele mik verschillende Android-toestellen, van een scala aan fabrikanten. Met als gevolg dat je applicatie straks op 90 procent van die toestellen prima werkt, maar je helpdesk door de overige 10 procent van je gebruikers volledig wordt plat gebeld.
Blackberry
Voordelen: ligt heel goed in zakelijke markt, degelijke hardware, en de software wordt in Java ontwikkeld. Nadelen: de zakelijke apparaatjes vinden vooralsnog weinig aftrek in de consumentenmarkt, en de ontwikkelomgeving wordt door menig programmeur als ‘a complete disaster’ omschreven.
Palm
Voordelen: applicaties worden, net als websites, in HTML/CSS/Javascript ontwikkeld. En programmeurs die dát onder de knie hebben zijn er in overvloed. Nadelen: het eerste webOS-toestel – de Palm Pre – komt pas over een paar maanden op de markt, en dat webOS moet zich dus nog vanuit ‘t niets gaan bewijzen.
Windows Mobile
Voordelen: eeehhh… Nadelen: Windows Mobile bestaat al meer dan tien jaar, maar grossiert nog steeds in fouten, missers en gebruiksongemak. Wellicht heeft Microsoft in de volgende versie van Windows Mobile genoeg ideeën van anderen gekopieerd om het enigszins bruikbaar te maken, maar anders is het wat mij en veel anderen betreft echt over en uit voor Windows op smartphones.
Maar… naast deze voor- en nadelen voor applicatieontwikkelaars zijn er natuurlijk ook nog de doelgroepen die je keuze voor één of meerdere platformen bepalen. Voor ‘t gemak geef ik je hier enkele top 3 -keuzes:
Hippe consumenten? 1) iPhone, 2) Palm, 3) Android.
Doorsnee consumenten? 1) Symbian, 2) iPhone, 3) Palm.
Nerdy consumenten? 1) Android, 2) iPhone, 3) Symbian.
Hippe zakenmensen? 1) iPhone, 2) Blackberry, 3) Windows.
Doorsnee zakenmensen? 1) Blackberry, 2) Windows, 3) Symbian.
Domme zakenmensen? 1) Windows, 2) Symbian, 3) Blackberry.
Fast moving consumer software
TapTapTap’s software doet ‘t best goed, in Apple’s AppStore. Maar toch staat er een klaagschrift op zijn blog. Hij vindt ‘t vervelend dat er alleen met tophits goud geld valt te verdienen, en dat die tophits maar 99 cent mogen kosten.
Apple’s AppStore is een flinke database, met een zoekmachine erop. En omdat mensen liever vinden dan zoeken hebben ze er ook wat hitlijsten aan toegevoegd. Eentje van alle gratis apps, eentje van alle betaalde apps en nog eentje per categorie waarin de software is opgedeeld. En dat werkt verbazingwekkend goed: de hits vliegen als warme broodjes de AppStore uit. (Terwijl de apps in de Long Tail slechts tien of minder verkopen per dag kennen.)
Nu is het probleem volgens TapTapTap dat de prijs van die software een veel grotere impact op de plaats ervan in de hitlijsten heeft, dan de kwaliteit. Mensen kopen echt gigantisch veel sneller een app van 99 cent dan eentje van 5 euro, en de gemiddelde prijs van de betaalde Top 100 apps is in de paar maanden dat de AppStore bestaat dan ook al ruim 33 procent gedaald.
Maar dan maakt hij een denkfout: ‘The way things are going, it’s hard not to predict a future that is bright only for the small-scale, cheap apps that manage to hit it big. Where no one is crazy enough to dedicate the money, talent, or time on something truly exceptional. Where the shelves are lined with questionable chocolate bars and trinkets. It’s the future of the Crap Store.’
De denkfout die hij hier maakt is dat de prijs ineens de énige factor met invloed op de positie in de hitlijsten zou zijn. Dat mensen echt álles zouden kopen wat los en vast zit, als het maar 99 cent kost. En dat klopt natuurlijk niet; er is zelfs een hele mik 100 procent gratis apps die geen hond wil downloaden.
De vraag die hij zichzelf moet stellen is dan ook niet: hoe krijg ik het voor mekaar dat mensen meer geld voor kwaliteit over hebben, maar: hoe krijg ik het voor mekaar om voor 99 cent topkwaliteit te leveren. En, nog veel belangrijker: hoe repeteer ik dat, zodat ik voortdurend of in ieder geval regelmatig een app in de top 10 heb. Want op één hit kun je maar kort leven.
Programmeurs moeten gewoon leren denken als modeontwerpers en popartiesten. ‘One day you’re in, the next, you’re out.’
Voel je ‘m?
De eerste computers voor mensen waren rekenmachines: je voerde er gegevens in, en na wat berekeningen kwamen er weer andere gegevens uit. De tweede generatie waren archiefkasten, waar je steeds grotere hoeveelheden gegevens in op kon slaan. En bij de derde generatie werden al die archiefkasten met elkaar verbonden. Eerst met LAN’s, dan met WAN’s en uiteindelijk wereldwijd. En inmiddels zijn we bij de vierde generatie computers aanbeland.
Er is één eigenschap die alle eerste drie generaties computers met elkaar gemeen hebben: ze zijn stuk voor stuk afhankelijk van actieve user input. Zonder de invoer van ponskaarten, toetsaanslagen of muisklikken weten ze bij god niet wat ze voor je kunnen betekenen. Want het zijn maar domme, gevoelloze dozen die alleen maar kunnen doen wat hun opgedragen wordt. Niets meer, niets minder. (Mits ze natuurlijk niet ziek zijn van een virusje, of vastlopen op een programmeerfout.)
De vierde generatie computers is daarentegen juist intelligent, vriendelijk en gevoelig. Ze weten waar je bent, wat je doet en hoe je je voelt. En spelen daar vakkundig op in. Zo weten ze bijvoorbeeld of je loopt, rent of in de auto zit. En helpen je als je de weg kwijt bent. En ze weten of ze op je bureaublad liggen, in je broekzak zitten of tegen je wang geplakt, en passen hun gedrag daarop aan. Ze weten wat je ziet, wat je gezien hebt en wat je nog wilt gaan zien, en delen dat – als jij daar geen bezwaar tegen hebt – met je vrienden en kennissen. En ze weten waar je naar luistert en van welke muziek je houdt, en zoeken er zelfstandig nog wat extra deuntjes bij.
Nu vraag je je natuurlijk af hoe die computertjes dat allemaal voor elkaar krijgen. Wel, de truc zit ‘m in de gigantische hoeveelheid sensortjes waarmee ze zijn uitgerust. Zo hebben ze – net als ons – ogen en oren, een evenwichtsorgaan en een huid. En anders dan ons ook nog een nabijheidsensor en een gps-lokalisatiesysteem. En zijn ze ook nog eens via 3G, Bluetooth en WiFi met elkaar en het internet gekoppeld, zodat ze supersnel en simpel extra dingen kunnen leren over wat ze horen, zien en voelen. En hun gedrag steeds beter op hun ‘baasje’ kunnen afstemmen.
De vierde generatie software ontgroeit inmiddels de kinderschoenen, en de apparaatjes vliegen rap over de toonbank. Of worden zelfs weggegeven, bij een gsm-abonnementverlenging. Nog een paar jaar, en dan heeft iedereen zo’n digitale vriend.
Met Layar moet je niet zoeken
Matthijs van den Broek op MarketingFacts.nl:
Raimo van der Klein gaf gisteren op Picnic09 in deze presentatie al wat context over Layar 3D. In bovenstaande presentatie neemt één van de andere oprichters van Layar, Claire Boonstra, je mee in de wondere wereld van Augmented Reality. Een vliegtuig komt over, we bezoeken het Japan DOME en het Escher DOME. En vooruit, we spelen ook nog een spelletje Pacman omdat we toch in de buurt zijn.
Mijn reactie:
Het is erg leuk geprogrammeerd, maar ik vind ‘t op deze manier toch meer een verarmde virtualiteit dan een verrijkte realiteit. De realiteit is hier immers een obstakel voor de virtualiteit: je moet ineens naar virtuele dingen gaan zoeken door met z’n camera-tje voor je hoofd rond te draaien en heen-en-weer te lopen, terwijl je dat soort dingen zonder die app vele malen makkelijker kunt zoeken en bekijken.
Waar ik echt veel meer kansen voor augmented reality in zie, is het digitaal uitbreiden van de bestaande realiteit (daar waar je nu bent en naar kijkt), in plaats van het plaatsen van digitale objecten in een realiteit waar je als bezoeker eerst nog naartoe moet gaan en kijken. Zoiets als wat ik in mijn Adformatie-column van juli 2008 schreef, bijvoorbeeld:
“Omgekeerd wordt het nog veel leuker met de combinatie van GPS, 3D hoekmeting en camera. Want daarmee kun je straks heel gemakkelijk online informatie vinden bij een offline product. Je iPhone weet immers niet alleen waar je bent wanneer je een foto neemt, maar ook waar je je camera op richt. Fotografeer je het gebouw in het noorden, de tegel tussen je voeten of de reclameposter rechts boven je schouder? Je iPhone weet ‘t, en laat Google de bijbehorende informatie opzoeken.
Een simpel huis-, tuin- en keukencameraatje kan gezichten onderscheiden, en kent het verschil tussen een booswicht en een lachebekje. De iPhone heeft aanzienlijk meer processorkracht, plus GPS en 3D hoekmeting; leuker kunnen ze ’t nauwelijks maken.”
(P.S.: Die 3D hoekmeting zag inderdaad pas een jaar later het levenslicht, in de iPhone 3GS. Ik liep in mijn column blijkbaar een beetje op de zaken vooruit…)
En je moet tegelijkertijd natuurlijk niet vergeten dat je ook nog best veel digitaals aan de werkelijkheid kunt toevoegen zónder dat je daar een camera-tje voor nodig hebt:
“De vierde generatie computers is daarentegen juist intelligent, vriendelijk en gevoelig. Ze weten waar je bent, wat je doet en hoe je je voelt. En spelen daar vakkundig op in. Zo weten ze bijvoorbeeld of je loopt, rent of in de auto zit. En helpen je als je de weg kwijt bent. En ze weten of ze op je bureaublad liggen, in je broekzak zitten of tegen je wang geplakt, en passen hun gedrag daarop aan. Ze weten wat je ziet, wat je gezien hebt en wat je nog wilt gaan zien, en delen dat – als jij daar geen bezwaar tegen hebt – met je vrienden en kennissen. En ze weten waar je naar luistert en van welke muziek je houdt, en zoeken er zelfstandig nog wat extra deuntjes bij.”
(En ook hier loop ik weer een beetje op de zaken vooruit, want voor veel van deze dingen heb je ‘background processen’ nodig; iets wat pas in nog weer een vólgende iPhone beschikbaar zal komen…)
… en uiteindelijk gaat ‘t met die portable computertjes natuurlijk deze kant op. Maar tja, dat duurt vast nog pakweg een half decennium…
En wat later:
@Claire: Jullie Layer kan inderdaad ook prima ingezet worden voor het digitaal uitbreiden van de realiteit waar je op dat moment bent en naar kijkt, en ik vind het daarom jammer dat die mensen in de voorbeelden die jullie laten zien steevast met zo’n toestel voor hun snufferd zoekend in de rondte aan ‘t lopen zijn. Wellicht dat je ook eens wat ‘je ziet dat een huis te koop staat, richt je telefoon erop en weet meteen wat ‘t kost’- of ‘je staat achter Amsterdam CS, richt je telefoon op één van de pontjes en ziet meteen hoe laat deze naar welk punt aan de andere kant vaart’-voorbeelden kunt laten zien. Met andere woorden: voorbeelden waarbij je die telefoon met AR als aanwijzer gebruikt, in plaats van als zoekinstrument.
Voor dat zoekend rondbanjeren met zo’n telefoontje voor je snufferd zie ik totaal geen toekomst weggelegd, maar voor het digitaal uitbreiden van waar je naar wijst juist wél.
Posted in Commentaar | No Comments »